Mit freundlicher Genehmigung des filos-Verlags


Interview met de Seeliger-kenner Max Heigl

 

Max HeiglMeneer Heigl, in het nawoord bij de, door u van commentaar voorziene, autobiografie van Seeliger geeft u aan dat u de schrijver persoonlijk heeft gekend. Hoe kwam dat zo?

 

In 1957/58 was ik eerstejaarsstudent aan de universiteit van München en werkte als freelance-medewerker voor de Bayerwald-Echo. Destijds draaide de Peter Voss-film (met O.W. Fischer) in de bioscoop in Cham, en naar aanleiding daarvan moest ik Seeliger over een aantal biografische details raadplegen. Seeliger woonde bij mij in de buurt, in de Schuegrafstrasse en ik heb hem meerdere malen opgezocht. Hij vond mij kennelijk niet onsympathiek en noemde mij steeds zijn „beste jonge vriend“. Tijdens die gesprekken heb ik van hem meer over het creatief hanteren van de taal geleerd, dan in vele colleges en seminars.
Toen het weekblad De Schlesier, ter gelegenheid van zijn 81e verjaardag, een artikel wilde plaatsen, beval Seeliger mij aan als auteur daarvan. Zijn zachtzinnige herziening van mijn tekst opende mij de ogen voor een creatieve vormgeving van de taal. Omdat ik de meeste tijd in München doorbracht, hebben wij elkaar in het voorjaar van 1959 nog een paar keer ontmoet. Hij wilde mij bij gelegenheid aan de uitgever Goldman voorstellen, maar in juni 1959 vernam ik toen dat hij was overleden.                                     

Probeert u voor ons eens uit uw geheugen te beschrijven: hoe was Seeliger?

Voor mij was hij vooral een buitengewoon beminnelijke en behulpzame man, die mij geen moment liet merken dat er een leeftijds- of statusverschil bestond. Ik heb hem alleen maar glimlachend gezien, ook als hij kritische opmerkingen maakte of het over dingen had, waar hij een hekel aan had. Na een gezamenlijk bezoek aan de film „Het lied van Bernadette“, naar de roman „De verduisterde hemel“ van zijn collega Werfel, zei hij alleen maar: „Nou, zo lukt het dus ook niet.“ Toen wij het eens over een gewaagde scène in het libretto voor een musical hadden en ik mijn bedenkingen uitte vanwege de reactie van het publiek, zei hij lachend: „Beste vriend, de coïtus is toch het leukste ter wereld. Er liggen er twee op elkaar te rollebollen en de kerk maakt daar een halszaak van.“ Een andere keer ging het over een van de kernthema’s van zijn werk: de vraag naar mogelijke verlossing van de mensheid. Zijn commentaar: „Dat knaapje hangt al tweeduizend jaar aan de Roomse galg, en wat heeft hij daarmee bereikt? Niks!”

Hij babbelde gezellig, maar hield ervan om nauwkeurig, soms zeer overdreven en zelfs sarcastisch, te formuleren; hij hervond echter weer snel de rustige, opgewekte toon, proostte verzoenend met een Stamperlse kersenlikeur op de antikatholieken, die zichzelf protestanten noemen, want zo weet je meteen waar ze vandaan komen. Al die opmerkingen maakte hij zonder enig teken van een drang om te beleren, fijntjes lachend, alsof hij daaraan toe wilde voegen: neem het niet al te serieus op. Ik herinner mij hem als een evenwichtige, karaktervaste persoonlijkheid met een zeer sympathieke uitstraling.

Als ik in uw werkkamer rondkijk, krijg ik een idee van hoe intensief u zich met Seeliger bezighoudt: allemaal boeken van Seeliger, meestal verschillende uitgaven, natuurlijk video’s met de verfilming van „Peter Voss, de miljoenendief“….Wanneer bent u begonnen met het verzamelen van deze dingen?

Eerste een kleine correctie: ik ben niet in het bezit van alle boeken van Seeliger. Ik heb weliswaar een aantal uitgaven in veelvoud, Peter Voss bijvoorbeeld veertien maal, maar dat zijn ze lang niet allemaal. Van het hele oeuvre mis ik nog een hele serie titels, die spoorloos zijn verdwenen of in het gunstigste geval verborgen liggen in privé-bibliotheken, bibliotheekmagazijnen of antiquariaten. Tijdens het leven van Seeliger heb ik meerdere banden in handen gehad, die inmiddels onvindbaar zijn, zoals bijvoorbeeld „De knaap Quirinus.“

Om op uw vraag terug te komen: na het overlijden van Seeliger had mijn studie voorrang, en pas toen ik leraar aan het Regental-gymnasium in Nittenau werd, ben ik mij weer met Seeliger bezig gaan houden en gericht naar zijn boeken gaan zoeken. Een eerste, zeer onvolledig en feitelijk onnauwkeurig, resultaat was een bijdrage aan het jaarverslag 1974 van deze school.
Seeliger-plaatsen, zoals
Hamburg, Berlijn en Walchensee/Oberbayern bezoeken, om ter plaatse onderzoek te doen, werd zowel vanwege een beroepshalve tijdgebrek en een beperkte mobiliteit, als vanwege de politieke verhoudingen verhinderd, want de Silezische steden zoals Breslau, Brieg, en Rathau liggen in Polen. Internet bestond nog niet; ik was, om aan teksten van Seeliger te komen, op een briefwisseling met desbetreffende instellingen aangewezen. In de loop van drie decennia zijn het misschien ongeveer 70% van zijn publicaties geweest, afgezien van de talrijke journalistieke publicaties in diverse Hamburgse en Berlijnse kranten en tijdschriften.

Het zijn echter niet de vele boeken die opvallen – in de boekenkasten staan talrijke ordners, die de naam Seeliger dragen: wat gaat in deze ordners schuil?

Kort samengevat: kopieën van werken, die ik in bibliotheken heb gevonden, handschriften van de schrijver, zakelijke en persoonlijke brieven van Seeliger, familiedocumenten uit de nalatenschap, secundaire litteraire teksten, krantenknipsels ter gelegenheid van verschillende gebeurtenissen, mengelwerk en aantekeningen; verder eigen correspondentie met uitgeverijen en de media over de zaak Seeliger, eigen werk over Seeliger, toneelstukken met Seeliger als protagonist, ongepubliceerde stukken, deels met de hand geschreven uit zijn vroegere tijd en zijn latere werk als getypte manuscripten. Het meeste wacht nog op een systematische ordening.

Hoe zou u het litteraire werk van Seeliger willen karakteriseren, als u het in zijn geheel beschouwt?

Ik wil u dat, heel in het kort en ontoereikend, met twee citaten vertellen: Jürgen Lodemann karakteriseert hem als een mengeling van Karl May en James Joyce, en Erhard Schütz noemt hem een mengeling van Karl May en Jean Paul. Geen slechte buren! Tussen deze achtenswaardige polen bewijst Seeliger zijn waarde als een veelzijdige, volgens Jörg Drew „nooit saaie“ schrijver van betere ontspanningslitteratuur en utopisch-satirische tot radicaal-polemische teksten.

Onderscheidt u verschillende fasen in het werk van Seeliger? In de schrijfstijl? In de favoriete onderwerpen?

Als ik sterk generaliseer, denk ik dat ik drie perioden kan onderscheiden:

De vroege periode, vanaf zijn eerste publicaties rond 1900 tot aan de eerste wereldoorlog, hoofdzakelijk gekenmerkt door de bestseller „Peter Voss, de miljoenendief“ en andere succesboeken, voornamelijk met een onderhoudende inhoud, maar toch ook al met herkenbare maatschappijkritische kiemen en in een novellistische, pakkende verhaalstijl. Het materiaal ontleent hij voornamelijk aan zijn Silezische geboortestreek of aan de scheepvaart.

De periode van het midden van zijn leven, in de jaren van 1920 tot 1933, wordt gekenmerkt door zijn radicale verandering naar de „oorspronkelijke toekomstduider“ en visionaire utopist met anarchistische trekken, die in het „Handboek der Zwendel“ en in een reeks verhaalbundels van gelijke strekking zijn taalcreatieve neerslag vond.

Het latere werk, vanaf het gedwongen stilzwijgen in de nationaal-socialistische staat tot aan de meestal uit bewerkingen van oudere teksten bestaande boeken, voor de geplande, maar niet tot stand gekomen, definitieve en volledige uitgave; die hebben een soms iets te overladen archaïsche vorm.

Kun je zeggen dat Seeliger in de loop van zijn leven radicaler is geworden?

Ja, ongetwijfeld. In de twintiger jaren is de radicaliteit van zijn denken en schrijven toegenomen tot een hoogtepunt rond de jaren 1922 tot 1925. In die tijd valt zijn conflict met de staat, de justitie en de psychiatrie. Een litteraire uitdrukking van dit radicalisme vormen de pamfletten „Het Handboek der Zwendel“, „Het Wereldgeweten“, „Is de Staat een Schietert“ en de roman „De Diva en de Diamant“, „De ontmaagding van de Wereld“ en „De Vernietiging van de Liefde“; daarbij komen nog satirisch-polemische briefwisselingen met de rechterlijke macht, hoge politieke „hoogwaardigheidbekleders“ en vertegenwoordigers van de psychiatrie. Stijl en toon van deze publicaties getuigen van zijn radicale instelling tegenover alle „overheids“-instellingen. Het motto, dat je in al die geschriften tegenkomt luidt: de staat is de wortel van alle kwaad.

In het gesprek met u valt op, dat u kennelijk een (in ieder geval minstens één) overeenkomst met Seeliger heeft – alom humor….                                      

Max HeiglWilt u mij een ijdele opmerking ontlokken?

Of ik humor heb, en dan ook nog alom, dat moeten de mensen maar uitmaken, die het met mij dag in dag uit moeten doen. Maar als u met humor bedoelt, dat men de twijfelachtig gelegitimeerde, zogenaamde overheid onder geen enkele omstandigheid serieus moet nemen, omdat men dan immers tot de evenzeer twijfelachtig gedefinieerde onderheid moet behoren, en als men dat ontbreken van ernst in de praktijk brengt, doordat men de aanmatigende en schijnheilige schijnautoriteit lachend weigert te gehoorzamen – dan wil ik graag een overeenkomst met Seeliger beamen. Wie zichzelf serieus neemt, heeft niet het recht om zich over andere mensen vrolijk te maken; Seeliger zegt: “Wie niet vóór mij is, is tegen zichzelf. Maar ik zeg u: Wie niet vóór mij is, is weerzinwekkend.” En hij meent het.

Ik heb van hem het door elkaar klutsen van woorden geleerd, dat tegenwoordig lichtzinnig bagatelliserend als een woordspel wordt afgedaan. Soms weet ik zelf niet meer of het een woordspeling of een aforisme van hem of mij is. Een grappige overeenkomst hebben wij ook in het feit, dat wij allebei leraar zijn geweest, en vooral, dat wij als zodanig werden lastig gevallen door een ambtelijke tuchtzaak, nee, werden vermaakt door het „geheel en al humorloze regeringsgespuis“ (Seeliger!). Hij ontkwam aan die absurditeit, doordat hij de staat uit zijn dienst ontsloeg (een formulering van Seeliger? Of de mijne? Ik weet het niet meer) – ik heb eenzelfde groteskiteit meegemaakt, toen er, op zeer duistere gronden, een door merg en been gaande dreigbrief tegen mij werd opgesteld.

Misschien zou Seeliger ook met mijn achtenswaardig levensmotto hebben ingestemd: een vrolijk pessimisme plus een rationeel pacifisme.

De filosoof Bernd Gräfrath noemt Seeliger een anarchist – was hij dat?

Ietwat vereenvoudigt zou men kunnen zeggen: het ontmaskeren en opheffen van alle gedwongen bindingen, die de eenling verhinderen om een hominidissimus te worden; horden, dus groepen met bevelsstructuren en gehoorzaamheid, meerderen en minderen, ideologie en goedgelovigheid, leiders en volgelingen, enzovoort, moeten verdwijnen, zodat de vrije mensheid, die door iedere hominidissimus wordt belichaamd, zich kan ontplooien en het paradijs op aarde kan realiseren. Ongetwijfelde een mooie utopie, maar wel een utopie.

Seeliger heeft zich, wat je in "Messias Humor" uitvoerig kunt lezen, met drie politieke systemen bezig gehouden. Midden in de twintiger jaren van de 20e eeuw is hij ter observatie in een krankzinnigengesticht opgenomen….Vergeeft u mij de respectloze vraag: was Seeliger gek (verrückt)?

Die vraag is helemaal niet respectloos, integendeel, het raakt de kern van de geestelijke toestand van Seeliger. Men moet alleen de seeligerse interpretatie van het woord „verrückt“ kennen, om hem recht te doen. Hij noemt zichzelf in een autobiografisch getinte komedie „Der richtig verrückte Kerl“, en in het „Handboek van de Zwendel“ verschijnt hij als „der richtig verrückte Dichter“. Bij hem betekent „verrückt“: van het onjuiste denken, naar het juiste denken “abgerückt“, dus „in de ware zin des woords verrückt“.

Dat zijn geestelijke toestand, in de gangbare betekenis van het woord, allesbehalve gek was, blijkt, ondanks de officieel verleende „jachtakte“, onweerlegbaar uit zijn schriftelijke en mondelinge opmerkingen. Ik heb mij daar, in de gesprekken met hem, uitvoerig van kunnen overtuigen. Zijn te allen tijde zaakbekwaamheid, zijn virtuoze en creatieve omgaan met de taal, zijn logische, „toekomstverduidelijkende“, denken en schrijven laten, bij alle toegestane kunstenaarshypomanie, een “sturm-und-drang-achtige stofwisselaar“ zien, die heel precies wist, wat hij wilde, toen hij datgene deed, wat men hem als gekte verweet.

Uw commentaar op de autobiografie van Seeliger lijkt op het spoorzoeken van een detective: verbanden worden verduidelijkt, hiaten in de tekst worden door overgangen opgevuld. Waarop baseert u uw uitspraken?

In het algemeen geldt, wat ik al eerder over de inhoud van mijn ordners heb gezegd. Daarbij komen dan de herinneringen aan de gesprekken met Seeliger en niet in het minst, met de gepaste voorzichtigheid, de talrijke autobiografische elementen in zijn verhalende werk.

De vroegere bestsellerschrijver Seeliger heeft na de oorlog, tot aan zijn dood in 1959, teruggetrokken in Cham gewoond….

Al tijdens de oorlog, vanaf 1940, woonde hij bij familie van zijn schoondochter in Cham. Rekening houdend met zijn joodse vrouw en zijn halfjoodse zoon, vermeed hij tot 1945 elke manier om op te vallen; zijn zwager Esriel Kohn werd in het concentratiekamp Dachau vermoord; zijn schoonzus Zipora Kohn overleefde het concentratiekamp Theresienstadt; zijn zoon Heinz Wolfram overleefde een, meerdere maanden durende, gevangenschap in het concentratiekamp Schelditz/Rositz.

Tengevolge van zijn royement van de Rijksschrijverskamer, was hij in het Derde Rijk uit de litteratuurscène verbannen; van het feit, dat de schrijver van „Peter Voss“ nog leefde, wisten bijvoorbeeld de deelnemers aan de verfilming in 1944 helemaal niets. Deze informatie heb ik van de producent van Bobby Dodd (“Bobby Dodd greift ein”, 1959, vervolg op “Peter Voss, de miljoenendief”) Karl Schönböck, persoonlijk. Seeliger moest, de hem toekomende royalty’s, na 1945 via het gerecht bevechten en een deel daarvan aan de sociale dienst afdragen. Voor de rest leefde hij van de bijstand en met steun van Chamse notabelen, waarmee hij een kleine litteratuurkring onderhield.

Na 1945 lukte het hem niet meer, afgezien van kleine heropvoeringen van „Peter Voss“, "Vielgeliebte Falsette" en "Junker Schlörk", aansluiting te vinden met het litteraire leven; hij was het publiek uit de tijd van zijn bestsellers kwijtgeraakt. De laatste keer dat hij min of meer in de openbaarheid trad, was naar aanleiding van de verfilming van „Peter Voss“ met O. W. Fischer. De bewerking van zijn succesboek voor de TV in een meerdelige serie, met Wolf Roth in de hoofdrol, heeft hij niet meer meegemaakt.

U hebt meegewerkt aan de herdruk van het „Handboek der Zwendel“ en „Peter Voss, de miljoenendief“, en hebt nu op toonaangevende wijze de „Messias Humor“ aan het daglicht gebracht. Komen er nog meer Seeliger-projecten?

Er ligt een Seeliger-leesboek op stapel, een bloemlezing met uitreksels uit zijn romans, novellen, gedichten en non-fictie-teksten, dat in het najaar van 2006 bij de uitgeverij Lichtung in Viechtach, zal verschijnen. In 2002 is in het Theater aan de Rott in Eggenfelden/Nederbeieren, met succes mijn komedie Nix Armageddon of: Geen laatste oordeel? opgevoerd. Daarin staat Seeliger als hoofdfiguur in het centrum van het gebeuren. In juli 2001 heb ik bij de Bayrische Rundfunk, in samenwerking met Thomas Muggenthaler, een thema-uitzending over Seeliger en het “Handboek der Zwendel” kunnen uitzenden. Inspanningen voor een hoorspelversie van de novelle van Seeliger “Poseidons Wraak” zijn tot nu toe zonder succes gebleven.

Misschien brengt het verschijnen van “Messias Humor”, het geplande leesboek of ook dit interview iets aan het rollen?

… en een uitgave van het volledige werk van Seeliger?

Men was al in 1927 met een uitgave van het volledige werk van Seeliger begonnen, maar het schijnt dat er maar een paar delen zijn verschenen; tot nu toe ben ik maar één deel tegengekomen: “Peter Voss, de miljoenendief”, als eerste deel van de herziene volledige uitgave van de romans, bij de uitgeverij Claus Wessel in Leipzig. Verdere uitgaven in dit project heb ik tot nu toe niet ontdekt. Het voornemen van Seeliger voor een volledige uitgave uit de eerste hand, bij het door hemzelf opgerichte PARADIES-AG, was bij zijn overlijden in 1959, niet boven het stadium van een voorbereidingsplan uitgestegen. Ik heb de beschikking over dat voorbereidingsplan. Realisering daarvan zou, aangenomen dat er een uitgeverij is te vinden, alleen al daarom onrealistisch zijn, omdat veel van de geplande teksten na de dood van Seeliger spoorloos zijn verdwenen. Tot nu toe niet gepubliceerde teksten, waar dus niet van bekend is of er wel een markt voor bestaat, bestaan als getypte manuscripten. De ervaringen met reacties van de uitgeverswereld op het aanbod van teksten van Seeliger stemmen niet echt optimistisch, laat staan op een uitgave van zijn volledige werk. Het waagstuk van een uitgave van een bloemlezing van zijn beste romans, of ook van de novellen en verhalen zou echter beslist aantrekkelijk kunnen zijn. Hoe heet het ook alweer in de volksmond? Zolang er leven is is er hoop.

Meneer Heigl, ik dank u voor dit gesprek.

Het interview werd gehouden door Dr. Volker Titel. volker.titel@buchwiss.uni-erlangen.de